Een grote grijns

Een grote grijns

Vanmiddag gaat de bel. Ferm, langdurig.
Het is zaterdag en zoonlief is net even over uit Rotterdam. Na het trekken van twee verstandskiezen ligt hij hier op de bank bij te komen – en vooral om enorm vertroeteld te worden. Want het is nogal niet wat, zo’n ingreep in zijn mond.
Man is naar de boot, en ik zit wat te lummelen achter de computer.

Het is de buurman van 82. Hij zegt: ‘Gaat het met jullie goed? Mag ik even binnenkomen?’
Maar natuurlijk!
Ik maak een kopje thee voor hem en zoon praat, zo goed als dat kan met de verdoving nog in zijn kaken, onderwijl met de buurman.
Ik geef hem het kopje thee en ga erbij zitten.
Buurman vertelt over ditjes en datjes, zoals dat gaat.
Dan wordt zijn blik ernstig. ‘Misschien gek om te zeggen, maar mijn vrouw en ik zien jullie eigenlijk alleen vluchtig in het voorbijgaan. Ehm, zij begint veel te vergeten, en dat is behoorlijk confronterend af en toe. Maar ik heb zelf ook, weliswaar heel andere, gezondheidsklachten. Dat weten jullie toch?’
Hij kijkt tersluiks naar Bas, mijn zoon, die als kind samen met een buurjongetje regelmatig bij hem en zijn vrouw mocht komen spelen.
Ik knik en hij neemt een pauze om een slok van zijn thee te nemen.
Hij zet het kopje terug op de schotel, het beven van zijn hand ontgaat mij niet.
Hij vervolgt: ‘Maar wij hebben nog steeds grote lol samen, hoor. Net zoals vroeger. En natuurlijk hebben wij onze kinderen, die hebben echter ook hun eigen leven. Toch zijn ze hier best vaak. Echt.’
Hij drinkt opnieuw van zijn thee en kijkt aarzelend van zijn kopje op. Dan komt de kennelijk werkelijke reden van zijn bezoek er in één keer uit.
‘Misschien best gek om zomaar te zeggen, maar wij zouden het zo fijn vinden om wat meer contact te hebben.’ De gezondheidszorgen laat hij achterwege.
‘Ik bedoel, wij wonen toch bijna naast elkaar. Wij zouden het leuk vinden als er af en toe eens bij ons aangebeld wordt voor een kopje koffie, gewoon een blijk van belangstelling. Of we nog wel leven, ofzo.’ Hij lacht.
Ik ook.
Een uurtje later, na de dagelijkse beslommeringen in de buurt besproken te hebben, gaat hij terug naar huis .’Ik moet nu wel even gaan kijken of alles nog goed is, anders denkt zij misschien dat ik ergens op straat lig. En dan maakt ze zich weer zo veel zorgen. Om niets’.
Op mijn belofte dat ik iedere week minstens één keer langskom voor een kopje koffie of thee, zegt hij: ‘Het gaat tenslotte om de lol, nietwaar’.

Kippenvel overal als ik bedenk hoe gemakkelijk mijn toezegging is. Maar vooral hoe stoer het van hem is dat hij dit ‘gewoon’ even kwam zeggen. Met een grote grijns.

By | 2019-09-08T09:40:30+02:00 8 September, 2019|Blog, Geen categorie|0 Comments

About the Author: