One of those days

One of those days

Gisteren, op “Blue Monday”, belde zoon ineens (hij belt eigenlijk nooit) dat-ie het bed waar hij in sliep in de door mij benoemde ballenbak, aka het studentenhuis, af had moeten staan aan de rechthebbende eigenaar en zodoende ‘s nachts bivakkeerde op een armzalig matrasje op de grond, onder een fleece dekentje.’Al tijden! Dus morgen moet ik eigenlijk wel een bed kopen, mam.”Morgen? Hoezo morgen?’ ‘Nou ja, als het je niet uitkomt dan gewoon niet, hoor,’ waren zijn gevleugelde woorden waarvan hij het effect kent. ‘Oké,’ verzuchtte ik, ‘ morgen ben ik om half elf bij je, welke Ikea nemen we?’ ‘Delft, dat is de grootste.’

Aangezien mijn redelijk aftandse Qashqai nog nooit van navigatie gehoord heeft, en de weg in Rotterdam mij nog niet eigen is, zei Frank gisteravond: ‘Neem gewoon de TomTom mee, ik stel hem wel voor je in.’ Ik zei nog, mijn iPhone indachtig: ‘Laat maar, want ik heb niets met die StomStom. Het komt goed.’ ‘Nee, TomTom is echt beter.’ Goed, om half tien sharp stap ik vanochtend de auto in. De heel lief door Frank ingestelde TomTom neem ik dan toch maar mee. Zoals ik al vreesde doet het ding het niet. Na veel gefrummel en gedoe krijg ik ‘m toch aan de gang. Zijn we een kwartier verder. Dan blijkt dat het niet werkt voor mij om zonder leesbril te kunnen zien wat Tom aangeeft. En het geluid staat te zacht om te kunnen horen wat er gemeld wordt. Na opnieuw heel wat gefrummel en tevergeefs gedoe om het geluid harder te krijgen, smijt ik hem bij een tankstation ter hoogte van Utrecht van het dashboard af, en zet gewoon mijn iPhone aan. Mijn vriend leidt me gemakkelijk door alle weersomstandigheden als zware regenval, hagel en natte sneeuw en dan opeens weer verblindende zon, heen.

Zie je, ineens sta ik in de straat waar ik moet zijn. Maar hee, de nummering klopt niet. Maar even bellen met zoon; ik blijk helemaal verkeerd te staan, want betreffende straat is ik weet niet hoe lang en bestaat uit twee delen, ik sta dus in het verkeerde deel. ‘Minstens een kwartier lopen voor mij mam.’ ‘Is goed, ik wacht hier, doe je best.’ Drie kwartier later lopen we door de grootste Ikea, in Delft.

Even uitzoeken wat precies allemaal, een zeer behulpzame verkoper maakt ons daarbij wegwijs, want eigenlijk snappen we er geen hout van, van alle 1+1+1+1+4 systemen. ‘Goh, valt eigenlijk best mee,’ zeggen we tegen elkaar als we met twee zwaarbeladen karren eindelijk bij de kassa aankomen. ‘Best gek eigenlijk, dat 1+2+3= bed wat op de verpakking van het bed staat,’ zegt Bas. Waarop ik uit ga leggen dat zo het Ikea-systeem werkt. Net op het moment dat Bas zegt: ‘Ja, 3 hebben we wel, maar waar zijn 1 en 2 dan?’ wijst een controleuse voor de kassa ons erop dat we niet compleet zijn. ‘1 en 2 ontbreken nog, die moet u wel even halen.’

Ach, natuurlijk!

Wij weer terug met die haast niet vooruit te duwen karren. Nadat we ook nummer 1 en 2 hebben ingeladen, gaat het als vanzelf: even afrekenen en vervolgens nog een minuut of tien wachten bij de balie na de kassa voor het ophalen van de matras. Eenmaal met de vracht buiten, blaast de ijzige wind ons van de sokken. ‘Rotterdam is altijd koud mam, het waait hier altijd veel harder,’ zegt Bas.Op weg naar de parkeergarage krijgt hij uiteraard nog minimaal zestig telefoontjes, die allemaal beantwoord moeten worden. En uiteindelijk zijn we dan toch echt bij de auto.

Oeps, past het er allemaal wel in? Eigenlijk niet, maar met veel stouwen en hard doorduwen krijg ik de achterklep toch dicht. We wurmen ons voorin, tussen alle uitstekende delen om ons heen. Maakt niet uit dat schakelen niet echt lukt, komt wel goed. Bas zit al opgevouwen in de passagiersstoel met zijn neus tegen het raam als hij roept: ‘Wacht even, geef snel je telefoon. Nu!’

Oké, hij is zijn telefoon kwijt en belt deze met de mijne. Zijn iPhone blijkt niet on board. Weer terug ingeparkeerd in het vak, auto uit en eindeloos zoeken naar zijn verdwenen telefoon. Die nergens is te ontdekken. ‘Oh god Bas, hoe krijg je dat nou weer voor elkaar, je belde er net nog mee?’ zeg ik op weg weer terug naar de auto. Terwijl we moedeloos in willen stappen, zien we ‘m opeens liggen: een paar meter achter de wielen. Gelukkig is er niemand overheen gereden.

Tijdens de lunch, we moeten namelijk wel even hoognodig ‘chillen’ – ineens mag ik dat woord wél van hem gebruiken – zegt Bas dat-ie er naar uitziet om het bed zo meteen in elkaar te gaan zetten. ‘Weet je nog, dat papa dat nooit lukte? Man man, wat zat hij altijd met die handleidingen van Ikea te klungelen! OEVERLOOS!’

Om drie uur rijd ik weg uit Rotterdam, na hem bij “de ballenbak” afgezet te hebben – en een huisgenoot zo vriendelijk was om het hele spul naar boven te helpen sjouwen. Met een dikke omhelzing en de woorden ‘Ik app je zodra het bed staat, echt in een ommezien!’ op zak, rijd ik tevreden huiswaarts. Waar na de voordeur te hebben geopend een stank van hier Tokyo mij tegemoet komt: Dorus, de hond, heeft kennelijk opnieuw een virus want net als gisteren is de hele benedenverdieping onder gepoept. Kokkend ruim ik de boel op, in afwachting van Het Bed Dat Staat. Om drie uur vanmiddag is-ie ermee begonnen, het is nu zes uur later.

Vooralsnog blijft het Wachten Op Bericht…

2018-02-06T14:07:05+01:00